Werken in tijden van corona

Op het journaal was het meermalen te zien: ambulancemedewerkers die vanuit verschillende regio’s naar Brabant gingen om coronapatiënten op te halen. Ze waren duidelijk onder de indruk. Hoe het echt was, willen we graag uit de eerste hand weten en vragen we aan onze collega Erik, ambulanceverpleegkundige op de post in Stadskanaal. Ondanks zijn 23 jaren ervaring, bezorgde de rit naar Tilburg hem kippenvel.

Hoe begon voor jou corona een rol te spelen?

“Ik was zelf in die beginweken nog in Oostenrijk, daar was het toen nog een ver-van-ons-bed show. Maar dat veranderde snel toen we terugkwamen in Nederland. Opeens mochten we geen handen meer schudden en op het werk bereidden we ons in allerijl voor: hebben we voldoende beschermingsmaterialen, wat zijn precies de criteria, hoe ziek zijn de mensen met corona? Het begon al snel serieus te worden: ‘het komt echt dichtbij’, realiseerden we ons toen. Met name ook door de geluiden uit het zuiden van het land, waar de cijfers per dagdeel een stijging lieten zien.”

Welke invloed had dit op jouw werk?

“Allereerst de toepassing van alle nieuwe standaardregels zoals het gebruik van de nodige beschermingsmaatregelen en het extra rekening houden met iemands fysieke toestand: heeft een patiënt koorts of ademhalingsproblemen? We werden nog alerter, ook in de omgang met patiënten. Dat contact veranderde alleen al doordat handen schudden om jezelf even voor te stellen niet meer mogelijk was. Die gewoonte moesten we onszelf echt afleren. En bijna dagelijks kwam er een factsheet met nieuwe berichten, protocollen en richtlijnen. Dan was het afwachten wat je te wachten zou staan.”

Toen werd je gevraagd naar Brabant te gaan, hoe stond je daar tegenover?

“Ja, dat was in één van de eerste weekenden dat er mensen vanuit Brabant naar het noorden werden gehaald. Nee, daar hoefde ik niet lang over na te denken, je gaat gewoon, dat is onderdeel van je werk en je bent goed beschermd. Bang voor mijn eigen gezondheid ben ik niet geweest, we werken verantwoord, corona belemmert me in die zin niet in mijn werk.
Samen met collega Jos ben ik vervolgens naar Brabant gereden, waarbij we ons wel afvroegen ‘wat staat ons te wachten?’. De media-aandacht droeg daar ook wel aan bij.”

Welke veranderingen merkte je, toen jullie naar het zuiden reden?

“Dat was heel bijzonder, toen we in de buurt van Nijmegen even gingen tanken, werden we met open armen ontvangen door de mensen bij de benzinepomp: ‘wat fijn dat jullie hier zijn, dat jullie ons komen helpen!’, zeiden ze. Toen begon het ons ook wel te dagen hoe groot de impact daar was. Onderweg stonden mensen naar ons te zwaaien en ze groetten ons bij het stoplicht. Dan voel je hoe het daar tot diep in de gemeenschap speelt.”

Heb je eerder zoiets meegemaakt?

“Ik heb een zelfde soort gevoel gehad toen ik aan het werk was in Enschede, na de vuurwerkramp. Daar stonden de bewoners langs de kant van de weg te applaudisseren. Dat zijn momenten van kippenvel en dat had ik in Brabant ook. Die dankbaarheid van de mensen en dat je vanuit Groningen iets voor hen kunt betekenen, dat was goed om te zien. Daar word je wel even stil van.”

Dan arriveer je bij het ziekenhuis, hoe was de situatie daar?

“Wij zijn uiteindelijk naar een ziekenhuis in Tilburg gegaan om daar een patiënt op te halen. In het begin was het even zoeken welke patiënt van welke afdeling opgehaald kon worden, dan merk je hoe complex de organisatie is rondom corona. Maar de collega’s uit Brabant hebben ons er doorheen geloodst. Iedereen was heel behulpzaam. Op de afdeling liep iedereen vanzelfsprekend in beschermingsmiddelen en de patiënten waren gewoon écht ziek en hadden relatief veel zuurstof nodig.”

En dan rijd je terug met de patiënt. Was dat nou een andere rit dan zoals jullie gewend zijn?

“Wat me vooral is bijgebleven, is dat de patiënt nog niet wist waar hij naartoe ging. ‘We nemen u mee naar Scheemda’, zeiden wij. ‘Scheemda? Maar dat ligt toch in Gróningen?’, vroeg hij verbaasd. Toen heeft hij gelukkig zijn vrouw nog kunnen bellen, die hij inmiddels al een week niet had gezien. Dat was hun afscheid voor dat moment, dat is dan best even emotioneel. Want ze wisten niet: zien we elkaar nog weer?”

Is het contact met collega’s door alle maatregelen essentieel veranderd?

“Ja, nu gaan we alleen bij een patiënt naar binnen – wanneer de melding dat toelaat – waar we dat voorheen met z’n tweeën deden. Dus je doet nu opeens van alles alleen, dan mis ik even het één-tweetje: ‘wat vind jij hiervan, hoe gaan we het doen?’. Dan merk je dat de teamgeest binnen ons beroep juist een heel mooi onderdeel is van ons werk.
De onderlinge betrokkenheid is groot. We informeren bij elkaar hoe casussen zijn verlopen en hoe het met iedereen is: ‘wees voorzichtig voor jezelf’. We zijn gewoon zuinig op elkaar. De teambinding wordt hierdoor nóg sterker.”

Zie je ook andere reacties bij patiënten dan voorheen?

“Zeker, mensen lijken nog meer dankbaar: ‘fijn dat jullie er zijn, jullie hebben het onder deze omstandigheden al zo druk’, zeggen ze dan. Hoewel die drukte soms voor een deel wel meeviel, het waren juist de werkomstandigheden die het anders maakten. Maar hoe het ook zij: die waardering van een enkele patiënt raakt mij meer dan het landelijk applaus vanuit het raam.

Maar wat we ook merkten is dat mensen met andere klachten zich stiller hielden. De ‘gewone’ pijn op de borst, die zagen we bijna niet meer. We kwamen in meerdere situaties waarbij we dachten: ‘deze mensen hadden twee dagen geleden al moeten bellen’. Dan hadden ze te lang gewacht onder het mom van ‘aah, we zien het nog wel even aan’. Die normale hulpvraag komt gelukkig steeds meer op gang.”